600 jaar Sint-Elisabethsvloed
In de nacht van 18 november 1421 braken de dijken door een woeste storm. Deze storm veroorzaakte een van de ergste overstromingen uit de Nederlandse geschiedenis: de Sint-Elisabethsvloed. Een gebied van 48 bij 15 kilometer in Holland en Brabant kwam onder water te staan. Een groot deel van dat gebied kennen we nu als de Biesbosch.
In de nacht van 18 november 1421 braken de dijken door een woeste storm. Deze storm veroorzaakte een van de ergste overstromingen uit de Nederlandse geschiedenis: de Sint-Elisabethsvloed. Een gebied van 48 bij 15 kilometer in Holland en Brabant kwam onder water te staan. Een groot deel van dat gebied kennen we nu als de Biesbosch.
Hoogwater in de stad
Zonder onze dijken zou maar liefst 60% van ons land regelmatig onder water lopen. Daarom zijn we elke dag bezig om mensen te beschermen tegen hoog water. De Sint-Elisabethsvloed en de Watersnoodramp leren ons hoe het kan misgaan. Bewust omgaan met water is belangrijk, zeker in een land als Nederland.
Je ziet het ook aan die verhoging daar, een stukje verderop? Dat is de tweede reden waarom ik dit een interessant punt vind. Je ziet dat daar waar die fietser gaat, de straatklinkers ophouden en dat het asfalt wordt. En je ziet dat de fietser omhoog gaat. Zo hoog zou eigenlijk de hele Voorstraat moeten worden, van hier vandaan tot aan de Grote Kerk en zelfs de Prinsenstraat. Want Dordrecht mag er zich op beroemen dat het de laagste zeedijk van Nederland heeft.
Wat vindt u ervan tot nu toe, meneer? Ik vind het gewoon een super interessante tour. Je hoort hier dingen die je zelf niet zo snel bedacht zou hebben. Dus om daar op gewezen te worden door mensen die het allemaal wel weten. Ja, dat maakt het zeer interessant.
Er komt een fietser aan. O, we gaan verkeerd. We draaien gewoon om.
Toen stond het water zo hoog en als je nu bedenkt dat het volgens de waterstaatstabellen nu iets van 20 centimeter plus NAP staat, stond het toen dus 3 meter 80 hoger dan nu.
Wanneer was dat? In 1953.
Jullie komen ook uit Dordrecht? Klopt, uit de binnenstad, alle twee. En wist u alles al wat er hier verteld is? Nee, ik wist nog niet alles wat hier verteld is, dus dat is leuk. Is weer een nieuwe eyeopener.
En u bent verrast mevrouw, want bij aankomst in de fietsenstalling zei u: wat kom ik hier doen eigenlijk? Ja dat klopt, mijn vriendin heeft mij een verrassingsuitje gegeven. Dus zonder te weten waar ik dan naartoe zou lopen liep ik gewoon heel braaf mee. En is deze rondleiding het resultaat van het cadeau. Hartstikke leuk. Was u jarig of was er iets anders te vieren? Nee, wij houden heel erg van de leuke spontane dingetjes en dit is er zo eentje. Als vriendinnen doe je dat. En het valt mee? Of zegt u: volgende keer iets anders uitzoeken? Nee, dit heeft ze heel goed ingeschat! Ja, want we weten alle twee best wel veel van Dordrecht. En we houden ook alle twee van het water, en we varen veel. En we vonden het daarom extra leuk
om de hoogwaterwandeling te maken. Ja, dat doe je dan samen.
Nu weet elke Dordtenaar natuurlijk wel dat het hoogwater kan worden en van die vloedschotten. Maar hebben jullie nog wat nieuws gehoord of iets leuks?
Nou, vooral dat de huizen aan de Voorstraat ook gebruikt werden als dijk. Dus dat het er aan de achterkant in kan stromen. Maar dat het dan aan de voorkant er dan niet eruit mocht. Ja, dat was een zeer opvallende. Maar ook dat je gewoon dagelijks over plekken wandelt en dat die verhoging dus wel degelijk een waterkeringsfunctie heeft. Nooit geweten, altijd van: nou, dat is gewoon zwaar fietsen er tegenop. Maar dat het een functie heeft, daar ben ik me nu bewuster van. Dat is heel leuk.
En op een gegeven moment dachten we van: het probleem is opgelost, want toen hebben ze in de Nieuwe Waterweg, de laatste vrije toegang van de Noordzee tot het rivierengebied, afgesloten met de Maeslantkering. Als het nu weer hoogwater is, dan gaan die twee armen dicht en zit de Nieuwe Waterweg eventjes op slot. Kan er ook geen schip naar de haven van Rotterdam. Maar goed, dat moet dan maar eventjes.
Jullie wonen nog niet zo lang in Dordrecht. Hoe bevalt het tot nu toe? Doordat we hier zijn gaan wonen, willen we ook meer van de geschiedenis weten. En uit het verhaal is ook wel gebleken dat water een hele grote en belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Dordrecht. En deze excursie die helpt ons daarbij om dingen duidelijk te krijgen.
We gaan door naar de volgende verrassing zou ik zeggen. Ja, want hij is aan het praten, dus ik wil 'm graag volgen.
Maar wat blijkt? Die Maeslantkering schijnt ook niet technisch volmaakt te zijn. Er wordt dus alweer nagedacht over een nieuwe constructie. Maar ook dat betekent dus geen absolute veiligheid voor Dordrecht. In feite zitten we nog, net zoals 100 jaar geleden met het probleem: wat doen we aan de laagste zeedijk van Nederland?
Waterveiligheid
Eén van de lessen van de Sint-Elisabethsvloed is dat we het water serieus moeten nemen. Om ons te beschermen tegen het water zijn we dijken gaan bouwen. Het onderhoud en de versterking van deze dijken is één van de belangrijke taken van ons waterschap.
Podcast De Echo van Elisabeth
In deze podcast reis je mee met de kerkklok van Cillaarshoek. De reis begint tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 en eindigt op de dag van vandaag.
Het verhaal van Jan de Brouwer
Verhalenverteller Nico van Lent neemt je mee naar het Dordrecht van 1421. Hij vertelt het verhaal van Jan de Brouwer, een bierbrouwer ten tijde van de Elisabethsvloed. Zijn broers zijn turfstekers en vrezen dat de turfwinning verboden zal worden.
Die jongens waren altijd aan het werk. Ze zouden s avonds wel langskomen om zich te warmen aan de brouwketel. Nou ja, en niet alleen daarom natuurlijk. Zijn broers knepen hem wat. De graaf van Holland, die had dat turfsteken verboden. Het verlaagde de bodem van de waard veel te veel. En daarnaast was nog het buitendijkse turfsteken. Daar werd turf gewonnen dat doordrenkt was van zout zeewater. En als die turf verbrand werd, kreeg je zout as en uit dat as was weer het zout te winnen. En zout was kostbaar, zout was handel en de graaf had het verboden, dat turf steken. Maar het stadsbestuur van Dordrecht liet het toe. Want ja, handel is belangrijk. Dat moet doorgaan. Jan was een echte poorter, geboren en getogen binnen de poorten van de stad. Dat vond hij vertrouwd. Daar kenden. Die mensen daar had die Elsje leren kennen. Daar had hij zijn werk. En dat boerenvolk daar in die grote waart, daar had hij niet zoveel mee op. De stad was ook veilig.
Het was nog maar drie jaar eerder, in duizendvierhonderdachttien, dat Jacoba van Beieren voor de stadspoorten had gelegen met een leger. Het Kabeljauwse Dordrecht had de aanval kunnen weerstaan. En ach, de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Hij had zijn opa er al over gehoord. Het zou zijn tijd wel duren. En hij wist ook wel, er waren mensen die zeiden van ja, maar die hoge heren steken teveel geld in oorlogvoering, laten ze aandacht aan de dijken besteden. Ja, Jan wist niet of dat ergens op sloeg, maar hij wist wel dat dat Dordrecht zijn stekkie was. Daar voelde hij zich veilig. Ja, hij was wel eens buiten de poorten geweest hoor. Hij was wel eens in de grote waard geweest. Een tijd geleden nog. Via via had hij gehoord dat zijn zus een kind gekregen had. Een jongetje en zijn zus woonde in Houwelingen, een klein dorpje aan de noordrand van de Merwede en ze had het jongetje Jan genoemd. Dus ja, Jan voelde zich wel verplicht om bij zijn neefje en naamgenoot op bezoek te gaan.
Dus op een dag had hij de stoute schoenen aangetrokken en er was een stadspoort uitgegaan. En aan zijn voeten lag de grote waard, een enorm landbouwgebied. Het was de graanschuur van Holland. Het werd doorsneden door verschillende rivieren. De Maas natuurlijk, maar ook de dubbel, de werken, de wielen, de alm. Er waren steden zoals Dordrecht, Werkendam, Geertruidenberg, er waren tal van dorpjes, Ingen albums, kerken, Dubbeldam, er waren zelfs wat kastelen, het Huis te Merwe en Kraaienstein. Maar Jan, reizend door die grote waard op weg naar zijn zus, had daar allemaal geen oog voor. Welnee. Waar hij voortdurend naar keek, dat waren die velden vol met golvend goudgeel graan. Daar had een mens wat aan. Daar kon je bier van maken. Hij had niet veel tijd om naar buiten te kijken en te mijmeren. Het werk riep. Hij moest hop aan de brouwketel toevoegen en er ging aan de slag. En die avond ging hij weer naar een dag van brouwen en sjouwen. Moe naar bed, terwijl de regen op het dak viel.
Terwijl hij sliep trok de wind aan en de wind werd een storm en de storm stuwde het water op tegen de dijk. En van de grote waard in de zuidwesthoek bij het dorpje Broek was de dijk verzwakt en daar brak de dijk door. En de oudste en meest krakkemikkige lemen huisjes stortten onmiddellijk in. De mensen binnen waren kansloos. Maar de meeste mensen slaagden erin om een intact deel van de dijk te bereiken, waar de lager gelegen delen van de waard stroomde vol en de hogere stukjes als dijken en terpen werden eilandjes. Midden in de nacht werd Jan wakker, het geluid van kerkklokken. En hij wist wat dat betekende. Gevaar? Waarschijnlijk brand. Hij wekte Elsa, ging de straat op om te horen wat er aan de hand was en daar hoorde hij iemand roepen De dijken zijn door het water komt! Hij rende naar binnen toe en verschanste zich met Elsa en de kinderen op de hoogste verdieping, in afwachting wat er zou gebeuren. Maar de volgende ochtend ontdekten ze dat Dordrecht droog was gebleven. Maar dat gold dus niet voor de waard, want het eb en vloed hadden vrij spel.
En natuurlijk werden onmiddellijk plannen gemaakt om de dijken te herstellen. Maar voor het zover was, brak in december duizendvierhonderdeenentwintig de rivierdijk in het noorden door het water, wat nu? Van twee kanten vrij spel over het land. Jan maakte zich zorgen als de graanschuur onder water stond. Waar moest hij zijn graan vandaan halen? En zou het niet veel duurder worden? En zijn broers? Zijn broers klopten ook wel bij hem aan, maar die konden geen turf meer steken. Af en toe zag hij het niet meer zitten en toen ging hij maar wat wandelen, wat lopen in de hoop dat als ze bewegen bewogen, dat zijn gedachten ook gingen bewegen, Dat hij wel een oplossing zou vinden. En tijdens eens een wandeling liep hij over de stadsmuur. En toen zag hij dat het waar was wat mensen gezegd hadden. Dordrecht was een eiland geworden, volledig omringd door water en het was een fascinerend maar ook afschuwelijk gezicht, die enorme waterplas. Terwijl hij naar het water keek, zag hij iets bewegen. Er dreef iets op dat water, een kaste, een kaste waar een kat op zat.
Stom beest. Dat was een beetje aan het spelen met de deining. Maar toen de wind dat kaste dichterbij duwde, toen zag hij dat het geen kaste was. Hij zag dat het een wiegje was en vanaf de muur, vanaf zijn hoger standpunt, kon hij zo recht het wiegje in kijken. En hij zag dat er een baby in lag. En hij begreep wat die kat aan het doen was. Die kat was juist aan het zorgen dat dat wiegje niet omsloeg. En hij rende over de muur naar een trap. En hij ging de trap af en de poort uit en hij ging staan wachten tot het wiegje zou aanspoelen aan een stuk geslipt land onderaan de muur. Hij haalde de baby uit het wiegje en bracht het naar huis. En die kat dribbelde vrolijk achter hem aan. Elsje en hij brachten het kind naar een stadsbestuur en die boden aan dat Jan het mocht opvoeden en dat het stadsbestuur zou betalen. Ze noemden het kind Beatrijs geluk brengen. En de kat? Die bleef bij Jan. Die kon het graan beschermen tegen de muizen.
Maar de grote waard moest ook beschermd worden. En we maakten plannen om het gebied opnieuw te bekijken, althans om de defecte dijken te repareren. Maar duizendhonderddrieëntwintig was er weer een dijkdoorbraak. Weer een overstroming en het prille werk was er niet gedaan. En weer werd het werk opgepakt. Met de steun van de Graaf van Holland en het geld van de Hollandse steden. Want die graanschuur, die moest intact blijven. De grote waard moest hersteld. Maar weer rond de naamdag van de heilige Elisabeth, 18 november duizendvierhonderdvierentwintig. Dit keer was er weer een overstroming die de geschiedenis is ingegaan als de derde Sint-Elisabethsvloed. En die was zo krachtig. Dijken waren totaal vernield, de gaten in de dijken waren enorm. De geulen waren zo diep uitgesleten. Men had toen in het begin van de vijftiende eeuw niet de mogelijkheid en niet de techniek, niet de inzichten om dat te repareren. En men gaf het op. De grote waard werd aan zijn lot overgelaten. EB en vloed hadden vrij spel en het gebied was onbewoonbaar. Delen stonden onder water.
Andere delen waren zo zout geworden dat landbouw niet meer mogelijk was. Dorpen stonden onder water en er kwam een stroom vluchtelingen op gang. Men vluchtte naar de steden en ook verder nog naar Dordrecht. En de zus van Jan verliet het onder water gelopen houten woningen en ging aan de overkant van de Merwe naar Nieuw Sliedrecht. De lemen huisjes zogen zich voller en voller met water totdat ze in elkaar klapten. Stenen gebouwen werden afgebroken. Stenen werden elders opnieuw gebruikt. Was dat gebied nu een verlaten spookgebied? Het zal er s avonds best spookachtig hebben uitgezien. Dat water dat zo langzaam zwart kleurt. Een enkele boom die er nog bovenuit steekt. Een kerktoren. Geen lichtjes meer, maar toch werd het een bedrijvig gebied. Want naarmate door de aanvoer van rivierwater het water zoeter werd, kon je er steeds beter vissen. En boeren werden vissers en ook de broers van Jan die geen turf meer konden steken, gingen vissen. Maar binnen een maand merkten ze al dat het niet altijd pais en vree was tussen die vissers. Netten werden kapot gesneden en in café's werd gevochten.
En dan ging het vooral tussen Hollanders en Brabanders. Tot de overstroming was de Maas een hele duidelijke grens geweest. Maar waar lag die grens nu? In die enorme plas met water en daar betwisten de vissers elkaar over. De Brabanders vonden dat die Hollanders te veel op Brabantse visgronden bezig waren en andersom. Maar ook de hoge heren had er belang bij dat die grens duidelijk was. Dat had te maken met de verkoop van visrechten. Dus zowel de Graaf van Holland als de Prins van Oranje stelden alle twee een cartograaf aan om de oorspronkelijke loop te bepalen. En zo goed en zo kwaad als dat ging, deden ze dat en met bakens gaven ze die loop aan. Nou, dat was duidelijk. Totdat vissers op het idee kwamen om de bakens een beetje te verzetten. En andere vissers dachten dit kunnen wij ook. En de bakens gingen weer de andere kant op. En vervolgens werden de bakens met molenstenen op de bodem verankerd. Het getij en de rivieren brachten natuurlijk zand en slib mee. En dat betekende dat er platen ontstonden die eigenlijk voortdurend droog waren het voortdurend boven water en in duizendzeshonderddrie werd de eerste polder gemaakt, zeg maar de polder, het oude land van Dubbeldam.
In de decennia daarna volgden andere polders en er werd de polderbesturen opgericht. En toen er weer een overstroming was, besloten die besturen om de koppen bij elkaar te steken en af te spreken, om gezamenlijk de dijken te bewaken en te onderhouden. En door verdere verzanding en waterstaatkundige werken is er een gebied ontstaan dat we nu kennen als de Biesbosch. Tot in de negentiende eeuw werd er nog gevist totdat overbevissing en verdere verzanding het vissen onmogelijk maakte. En nog bleef het een belangrijk economisch gebied. S Winters trokken hordes griendwerkers de griend in om riet te oogsten. Onder erbarmelijke omstandigheden. Grotere stukken vielen droog, er ontstonden in landbouwgebieden en in duizendnegenhonderdveertig ontstond zelfs het plan om heel dat gebied weer te bedekken. Het zou natuurlijk een spectaculaire actie zijn geweest, maar de jaren 4045 waren niet echt een periode om zoiets beet te pakken en ook de jaren erna niet. En in duizendnegenhonderddrieënvijftig, bij de grote watersnoodramp, is het plan eigenlijk definitief van tafel geveegd. In duizendnegenhonderdzeventig ging de Haringvlietdam dicht en men ontdekte dat die Biesbosch toch een heerlijk recreatiegebied was.
Maar men besefte ook dat een heel bijzonder natuurgebied is. Duizendnegenhonderddrieënnegentig in de Biesbosch Nationaal Park geworden. En nu? Nu is het inderdaad een prachtig recreatiegebied. Een natuurgebied, maar ook een belangrijke opvangplek voor water. Nu, 600 jaar na de ramp, begrijpen we dat men het destijds een ramp vond. En dat was het natuurlijk ook. Maar nu, 600 jaar na dato, kunnen we ook zeggen dat eigenlijk uit die ramp toch iets prachtigs is voortgekomen. Iets dat we moeten koesteren en beschermen. De Biesbosch.